-
1. Het tuchtproces in eerste aanleg vangt aan met de uitreiking door of namens de commandant aan de militair, van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden, van een schriftelijk stuk, de beschuldiging, hetwelk een omschrijving inhoudt van deze schending.
2. De commandant behoudt een afschrift van de beschuldiging.
3. De datum van de uitreiking wordt aangetekend op het afschrift bedoeld in het voorgaande lid.
4. Terzake van dezelfde gedraging kan slechts eenmaal een beschuldiging worden uitgereikt.
5. Wijziging van de beschuldiging is voor de aanvang van het onderzoek mogelijk. In geen geval worden wijzigingen toegelaten die ten gevolge hebben dat de beschuldiging niet langer dezelfde gedraging in de zin van artikel 52, onder b zou inhouden. De wijziging wordt onverwijld, doch in ieder geval voor de aanvang van het onderzoek, aan de beschuldigde schriftelijk meegedeeld.
-
De beschuldiging vermeldt:
a. de naam, rang en militaire eenheid van de betreffende militair;
b. de omschrijving van een of meer gedragingen die vermoedelijk de schending van een of meer gedragsregels inhouden met vermelding van feiten en omstandigheden waarop dat vermoeden is gegrond en met opgave van tijd en plaats waarop die gedraging of gedragingen hebben plaatsgevonden;
c. de mededeling dat de commandant heeft besloten terzake een onderzoek te houden;
d. het artikel of de artikelen op grond waarvan de beschuldiging wordt uitgereikt.
-
1. Behoudens artikel 49, zesde lid, wordt geen beschuldiging uitgereikt indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden of, voor zover het betreft een vermoedelijke schending van een van de gedragsregels omschreven in de artikelen 6, 23, 26, 37 of 39, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de gedraging werd ontdekt of, indien toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid, of 79, eerste lid, indien er 21 dagen zijn verlopen nadat de beslissing van het openbaar ministerie ter kennis is gekomen van de commandant.
2. Geen beschuldiging wordt uitgereikt aan degene die feitelijk niet meer onder de wapenen verblijft.
3. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt 60 dagen indien in de beschuldiging is aangegeven dat de gedraging heeft plaatsgevonden terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten het Koninkrijk en de militair en de commandant zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden op het tijdstip waarop de gedraging volgens de beschuldiging eindigde.
4. Voor de bepaling van de duur van de termijn waarbinnen een beschuldiging kan worden uitgereikt als bedoeld in het eerste lid, worden de dagen waarop verlof is verleend aan de militair aan wie de commandant voornemens is een beschuldiging uit te reiken, of de dagen waarop deze militair door ziekte of ongeoorloofde afwezigheid niet bij zijn eenheid aanwezig is, niet meegeteld.
5. Geen beschuldiging wordt uitgereikt indien uit feiten of omstandigheden blijkt of redelijkerwijze moet worden vermoed dat er 60 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden.
6. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid, of 79, eerste lid, wordt de in het vijfde lid genoemde termijn met 30 dagen verlengd.
7. Een beschuldiging, uitgereikt in strijd met de voorgaande leden, wordt ingetrokken.
-
1. Het tuchtproces in eerste aanleg eindigt:
a. met een beslissing als bedoeld in de artikelen 53, zevende lid, 76, eerste lid, 78, tweede lid, of 80, zesde lid;
b. van rechtswege indien er na 21 dagen sedert de aanvang van het tuchtproces geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, behoudens de verlenging van deze termijn ingevolge de artikelen 59, tweede lid, 64, tweede of derde lid, of 80, eerste lid;
c. van rechtswege bij ontslag uit de militaire dienst.
2. Behoudens in het geval uitspraak is gedaan als bedoeld in artikel 76, eerste lid, deelt de commandant aan de beschuldigde schriftelijk mee dat het tuchtproces is geëindigd.
-
Het feitelijk verblijf onder de wapenen kan door de beklagmeerdere worden verlengd voor het houden van een tuchtproces in eerste aanleg, behoudens in het geval bedoeld in artikel 80, eerste lid.
§ 2. De vertrouwensman
-
1. De beschuldigde kan zich in ieder stadium van het tuchtproces in eerste aanleg doen bijstaan door een vertrouwensman.
2. Het bepaalde in het voorgaande lid wordt de beschuldigde bij het uitreiken van de beschuldiging medegedeeld.
-
1. De vertrouwensman kan door de beschuldigde worden gekozen uit het militair en burgerpersoneel, in dienstbetrekking bij het departement van defensie en gelegerd of tewerkgesteld op hetzelfde schip, in dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij hetzelfde onderdeel als de beschuldigde.
2. In bijzondere gevallen kan de commandant ook andere personen als vertrouwensman toelaten.
-
Medebeschuldigden in dezelfde zaak worden niet als vertrouwensman toegelaten.
-
1. De commandant kan de vertrouwensman voor de verdere duur van het tuchtproces in eerste aanleg uitsluiten wegens verstoring van de ordelijke behandeling van de zaak.
2. Ingeval van uitsluiting van zijn vertrouwensman wordt de beschuldigde op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld binnen 24 uur een nieuwe vertrouwensman te kiezen. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval met een dag verlengd.
-
Het optreden als vertrouwensman is dienst.
§ 3. Enige bevoegdheden tijdens het tuchtproces in eerste aanleg
-
1. De commandant kan de beschuldigde doen horen ter voorbereiding van het onderzoek. Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing.
2. De commandant kan getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van het tuchtproces.
3. De verklaringen van de op grond van het eerste of tweede lid gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd.
-
De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen na de uitreiking van de beschuldiging de op de zaak betrekking hebbende stukken inzien, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet.
§ 4. Het onderzoek
-
1. De commandant roept de beschuldigde schriftelijk op voor het onderzoek.
2. Het onderzoek vangt niet eerder aan dan 24 uur na de uitreiking van de beschuldiging.
3. Indien de beschuldigde om een eerdere behandeling verzoekt, kan de commandant daartoe besluiten.
-
1. De beschuldigde is verplicht te verschijnen.
2. Indien de beschuldigde niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing, doch ten hoogste 21 dagen verlengd.
3. Indien de beschuldigde niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit voor bepaalde tijd en wordt de beschuldigde nogmaals schriftelijk opgeroepen. Hij is bevoegd de medebrenging van de beschuldigde te gelasten. De tweede volzin van het voorgaande lid is van toepassing.
-
1. De commandant roept de getuigen en deskundigen op wier verschijning hij nodig oordeelt.
2. De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De commandant voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is.
3. De opgeroepen getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen.
4. Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217-219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5. De vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte onkosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
-
1. De commandant houdt het onderzoek op de grondslag van de beschuldiging.
2. Het onderzoek is niet openbaar.
-
De beschuldigde is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij de aanvang van het onderzoek ter kennis gebracht.
-
1. De commandant hoort de beschuldigde, de getuigen en de deskundigen.
2. Hij stelt de beschuldigde en de vertrouwensman in de gelegenheid de getuigen en deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
3. Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren.
-
De beschuldigde wordt voor de sluiting van het onderzoek in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.
§ 5. De bewijsmiddelen
-
Als bewijsmiddelen worden alleen erkend:
a. eigen waarneming door de commandant van een in de beschuldiging omschreven gedraging;
b. eigen waarneming door de commandant tijdens het onderzoek;
c. verklaringen van de beschuldigde;
d. verklaringen van een getuige;
e. verklaringen van een deskundige;
f. geschriften.
-
Op zichzelf leveren voldoende grondslag voor de overtuiging dat de in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden:
a. de eigen waarneming genoemd in het voorgaande artikel onder a;
b. de in een getuigenverklaring of in een geschrift opgenomen waarneming van een in de beschuldiging omschreven gedraging, door een militair of andere ambtenaar, die uit hoofde van zijn functie of rang met enig toezicht op de naleving van gedragsregels is belast.
-
Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.
§ 6. Beraad en uitspraak
-
Na sluiting van het onderzoek beraadt de commandant zich of hij door de inhoud van de in artikel 70 genoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de beschuldigde heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert.
-
1. Is de commandant van oordeel dat een gedragsregel is geschonden, dan beraadt hij zich over de oplegging van straf.
2. Acht de commandant de beschuldigde strafbaar, dan legt hij een straf voorzien in deze rijkswet op.
3. Indien de commandant dit in verband met de geringe betekenis van de gedraging of gelet op de persoon van de beschuldigde of zijn persoonlijke omstandigheden raadzaam acht, legt hij geen straf op.
4. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid spreekt de commandant de beschuldigde vrij.
-
Bij bestraffing van een militair die een of meer in deze rijkswet genoemde gedragsregels heeft geschonden, wordt slechts een straf opgelegd.
-
1. Na het sluiten van het onderzoek beslist de commandant uiterlijk op de eerstvolgende werkdag. Deze beslissing wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk, de uitspraak.
2. De uitspraak wordt door of namens de commandant onverwijld aan de beschuldigde uitgereikt.
3. De datum van uitreiking wordt op de uitspraak en op het afschrift bedoeld in het tweede lid aangetekend.
-
De uitspraak vermeldt in ieder geval:
a. de naam, rang en militaire eenheid van de beschuldigde;
b. de bewezen gedraging of gedragingen;
c. de geschonden gedragsregel of gedragsregels;
d. de beslissing.
§ 7. Bijzondere bepalingen
-
1. Is de commandant van oordeel dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft, dan is hij verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar, behoudens in het geval dat voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
2. Indien de commandant na de uitreiking van de beschuldiging tot het oordeel komt dat de gedraging een strafbaar feit betreft, trekt hij de beschuldiging in, indien hij nog niet tot een uitspraak is gekomen.
-
1. Indien een gedraging naar het oordeel van de commandant een van de strafbare feiten oplevert omschreven in de artikelen 267, aanhef en onder 1° en 2°, 300, eerste lid, 310, 311, eerste lid, aanhef en onder 4° en 5°, 321 of 350 van het Wetboek van Strafrecht of omschreven in de artikelen 96, aanhef en onder 2° en 3°, 98, aanhef en onder 2°, 166 of 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht met dien verstande dat de duur van de in de artikelen 96 en 98 van het Wetboek van Militair Strafrecht genoemde ongeoorloofde afwezigheid ten hoogste acht dagen is en het openbaar ministerie bij het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht de commandant mededeelt dat het voorshands instemt met tuchtrechtelijke afdoening, kan de commandant een beschuldiging uitreiken, voor zover de gedraging tevens de schending van een gedragsregel van deze rijkswet inhoudt. Van de mededeling van het openbaar ministerie wordt aantekening gedaan in het stuk, bedoeld in artikel 76, eerste lid.
2. De commandant zendt na het einde van het tuchtproces in eerste aanleg bericht omtrent de afloop daarvan aan het openbaar ministerie bij het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid doet niet af aan het formele recht tot strafvordering van het openbaar ministerie. Indien het strafbare feit wordt afgedaan met toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht of indien een vervolging terzake leidt tot een schuldigverklaring door de rechter, wordt bij het stellen van voorwaarden onderscheidenlijk bij de oplegging van een straf rekening gehouden met de wegens de schending van een gedragsregel van deze rijkswet opgelegde straf.
-
1. Indien de commandant gedurende het tuchtproces meent dat een in de beschuldiging omschreven gedraging niet de schending van een dienstvoorschrift oplevert, omdat dit dienstvoorschrift naar zijn oordeel in strijd is met een hogere regeling, schorst hij het tuchtproces, voorzover het deze gedraging betreft. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval met de duur van de schorsing verlengd.
2. Hij roept over de vermeende strijdigheid schriftelijk de beslissing in van het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
3. Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift niet in strijd is met een hogere regeling, deelt het deze beslissing mee aan de commandant. Deze hervat het tuchtproces met inachtneming van die beslissing.
4. Indien het tuchtproces terzake van andere gedragingen inmiddels is voortgezet en geëindigd met een uitspraak, hervat de commandant, nadat hij de beslissing van het gerecht heeft ontvangen, het op grond van het eerste lid geschorste tuchtproces. De commandant neemt daarbij de door hem gegeven uitspraak in acht. Artikel 75 is niet van toepassing met dien verstande dat een op te leggen straf gelijksoortig moet zijn aan de al opgelegde straf en het totaal het maximum niet te boven mag gaan.
5. Indien de commandant reeds een beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 74, derde lid, of de straf van berisping heeft opgelegd, kan alsnog een straf of een andere straf worden opgelegd.
6. Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift waaromtrent zijn beslissing is gevraagd in strijd is met een hogere regeling, spreekt het de beschuldigde vrij met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gedraging.
7. Tegen de beslissing van het gerecht staat geen verdere voorziening open.
Titel IA. De beklagprocedure
§ 1. Het doen van beklag
-
1. De gestrafte kan binnen vijf dagen na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak beklag doen bij de beklagmeerdere.
2. Onder de gestrafte wordt mede verstaan degene ten wiens aanzien een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 74, derde lid.
3. De gestrafte kan in beklag ook de beslissing van de commandant met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van de beklagmeerdere onderwerpen.
-
1. Het beklag wordt gedaan bij beklagschrift, dat bij de commandant wordt ingediend.
2. De beklagprocedure vangt aan met de indiening van het beklagschrift bij de commandant.
3. Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beklagschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beklagschrift aangetekend.
-
1. De commandant zendt het beklagschrift onverwijld door naar de beklagmeerdere.
2. Hij voegt daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan hij tot de overtuiging is gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden.
-
1. Indien het beklagschrift na de beklagtermijn bedoeld in artikel 80a, eerste lid, is ingediend, verklaart de beklagmeerdere het beklag niet ontvankelijk. Deze verklaring wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt. De datum van de uitreiking wordt op het schriftelijk stuk aangetekend.
2. Ten aanzien van een na afloop van de beklagtermijn ingediend beklagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gestrafte in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.
-
1. De gestrafte kan zich in ieder stadium van de beklagprocedure doen bijstaan door een vertrouwensman.
2. De artikelen 57, 58, 59, met uitzondering van de laatste volzin van het tweede lid, en 60 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor commandant wordt gelezen beklagmeerdere.
-
1. De beklagmeerdere kan de gestrafte doen horen ter voorbereiding van het onderzoek op beklag.
2. De gestrafte is verplicht te verschijnen. Artikel 80i, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het ter voorbereiding horen ter kennis gebracht.
3. De beklagmeerdere kan de commandant, getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van de beklagprocedure.
4. De verklaringen van de gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd.
§ 2. Het onderzoek op beklag en de afdoening
-
1. De beklagmeerdere bepaalt op welke dag het onderzoek op beklag zal aanvangen. Deze dag kan niet later worden bepaald dan uiterlijk de dertigste dag na de dag van indiening van het beklagschrift.
2. De dagen waarop de gestrafte en de beklagmeerdere zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden, tellen niet mee voor de bepaling van de termijn genoemd in het eerste lid.
-
1. De gestrafte wordt door of namens de beklagmeerdere schriftelijk opgeroepen voor het onderzoek op beklag. Dit onderzoek vangt niet eerder aan dan op de tweede dag na de dag waarop de oproeping aan de gestrafte is uitgereikt, tenzij de gestrafte om eerdere behandeling verzoekt. Artikel 62 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor beschuldiging wordt gelezen oproeping.
2. De beklagmeerdere roept de commandant, de getuigen en deskundigen op wier verschijning hij nodig oordeelt.
3. De gestrafte en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De beklagmeerdere voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is.
4. Artikel 65, derde, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
-
1. De beklagmeerdere is verplicht de gestrafte in persoon te horen tijdens het onderzoek op beklag, tenzij deze is gehoord als bedoeld in artikel 80f, eerste lid, en te kennen heeft gegeven op horen in persoon geen prijs te stellen en de beklagmeerdere het horen in persoon niet nodig oordeelt.
2. Indien de gestrafte niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering schort de beklagmeerdere het onderzoek op beklag op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 80r, tweede lid, onder b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing verlengd.
3. Indien de gestrafte niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, doet de beklagmeerdere het beklag verder af.
-
1. De beklagmeerdere houdt het onderzoek op beklag op de grondslag van de beschuldiging.
2. Het onderzoek op beklag is niet openbaar.
-
De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het onderzoek op beklag ter kennis gebracht.
-
1. De beklagmeerdere hoort de commandant, de getuigen en de deskundigen indien zij zijn opgeroepen.
2. Hij stelt de gestrafte en de vertrouwensman in de gelegenheid de commandant, de getuigen en de deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
3. Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren.
-
De gestrafte wordt voor de sluiting van het onderzoek op beklag in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.
-
Ten aanzien van de bewijsmiddelen zijn de bepalingen van paragraaf 5 van Titel I van dit hoofdstuk van toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de beklagmeerdere tijdens het onderzoek op beklag.
-
1. Na sluiting van het onderzoek beraadt de beklagmeerdere zich of hij door de inhoud van de in artikel 80n bedoelde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en of zulks een schending van een gedragsregel oplevert.
2. Met betrekking tot een beklag als bedoeld in artikel 80a, derde lid, wordt door de beklagmeerdere aan de hand van de door de commandant opgegeven motivering beoordeeld of de wijze van de tenuitvoerlegging als passend kan worden beschouwd.
-
1. Na het sluiten van het onderzoek op beklag beslist de beklagmeerdere uiterlijk op de eerstvolgende werkdag.
2. De beslissing van de beklagmeerdere luidt:
a. bevestiging van de bestreden beslissing, zo nodig met verbetering of aanvulling;
b. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met vermindering van de strafmaat binnen de opgelegde strafsoort;
c. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met wijziging van de opgelegde straf in de straf van berisping;
d. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met tenietdoening van de straf;
e. vrijspraak;
f. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met verklaring dat ten onrechte geen straf is opgelegd of dat de opgelegde straf ontoereikend is en verwijzing naar het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3. Indien een beklag is gedaan als bedoeld in artikel 80a, derde lid, verklaart de beklagmeerdere dit beklag bij gemotiveerde schriftelijke beslissing geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond. Indien een beklag geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, bepaalt de beklagmeerdere, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.
4. De beslissing in eerste aanleg wordt vernietigd:
a. indien enige in Titel I van dit hoofdstuk voorgeschreven termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad.
-
1. De beslissing wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk, de uitspraak op beklag. Artikel 77 is van toepassing.
2. De uitspraak op beklag wordt door de beklagmeerdere onverwijld aan de commandant toegezonden. Door of namens de commandant wordt onverwijld een afschrift van de uitspraak op beklag uitgereikt aan de gestrafte. De datum van uitreiking wordt aangetekend op de uitspraak en op het uitgereikte afschrift.
3. Indien de uitspraak op beklag een verwijzing inhoudt wordt daarvan bij de uitreiking aan de gestrafte mededeling gedaan.
-
1. De beklagprocedure eindigt met een beslissing als bedoeld in de artikelen 80d, eerste lid, of 80p, tweede of derde lid.
2. De beklagprocedure eindigt van rechtswege en de beslissing waartegen beklag is gedaan, is van rechtswege vernietigd:
a. indien er binnen de ingevolge artikel 80g voorgeschreven termijn geen onderzoek op beklag is aangevangen;
b. indien er 30 dagen zijn verlopen nadat het onderzoek op beklag is aangevangen en er geen beslissing als bedoeld in artikel 80p, tweede of derde lid, is genomen.
Het feit dat de beklagprocedure van rechtswege is geëindigd, wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt.
3. Artikel 50, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beklagmeerdere is belast met de uitvoering.
-
1. Nadat aan de gestrafte een afschrift van de uitspraak op beklag als bedoeld in artikel 80p, tweede lid, onder f, is uitgereikt, zendt de commandant de uitspraak op beklag onverwijld naar het gerecht.
2. Bij de behandeling en afdoening van het beklag na verwijzing zijn de bepalingen van paragraaf 2 van Titel II van overeenkomstige toepassing.
-
Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van de beklagmeerdere daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
Titel II. Het beroep
§ 1. Instelling van het beroep
-
1. De gestrafte kan beroep instellen bij het gerecht, dat ingevolge de bepalingen van de Wet militaire strafrechtspraak bevoegd zou zijn geweest, indien de desbetreffende gedraging een misdrijf zou hebben opgeleverd. Dit beroep wordt ingesteld binnen vijf dagen na de uitreiking:
a. van een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 80d, eerste lid;
b. van een afschrift van een uitspraak op beklag.
2. Artikel 80a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De beklagmeerdere kan binnen vijf dagen na verloop van de termijn bedoeld in artikel 80a, eerste lid, en er geen beklag is gedaan, bij het in het eerste lid bedoelde gerecht beroep instellen op de grond dat naar zijn oordeel ten onrechte geen straf is opgelegd of de opgelegde straf ontoereikend is.
4. Indien de beklagmeerdere een oordeel heeft gegeven over de wijze van tenuitvoerlegging als bedoeld in het derde lid van artikel 80a, kan in beroep eveneens de wijze van tenuitvoerlegging van de straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van het gerecht worden onderworpen.
-
1. Het beroep wordt ingesteld bij beroepschrift, dat bij de commandant moet worden ingediend.
2. De commandant zendt het beroepschrift onverwijld naar het gerecht. De commandant en de beklagmeerdere voegen daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot de overtuiging zijn gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden.
3. Indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere, doet de commandant daarvan mededeling aan degene op wie de uitspraak betrekking heeft.
-
Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beroepschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beroepschrift aangetekend.
-
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.
-
Zodra het beroepschrift is ingediend, kan de voorzitter van de militaire kamer, bedoeld in artikel 87, de tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod opschorten of schorsen. Hiervan wordt aantekening gesteld op het beroepschrift.
-
De griffier van het gerecht stelt zo spoedig mogelijk afschriften van het beroepschrift en van de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking van het openbaar ministerie.
§ 2. De behandeling en afdoening van het beroep
-
1. Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige militaire kamer bij het in artikel 81 bedoelde gerecht.
2. De voorzitter van de militaire kamer bepaalt op welke dag het beroep wordt behandeld.
3. Artikel 17, elfde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitvoering van de overdracht geschiedt door de griffier.
-
1. De oproeping van de gestrafte geschiedt door de griffier.
2. De termijn van oproeping is tenminste zes dagen. Op verzoek van de gestrafte kan deze termijn worden verkort.
3. Indien de gestrafte niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast de oproeping van de gestrafte.
4. Indien de gestrafte wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren.
-
1. Indien beroep is ingesteld door de beklagmeerdere worden deze en degene op wie de uitspraak betrekking heeft, door de griffier opgeroepen. De termijn van oproeping is tenminste zes dagen.
2. Indien de beklagmeerdere niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast zijn oproeping.
3. Indien de beklagmeerdere wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren.
-
1. De voorzitter bepaalt welke getuigen en deskundigen zullen worden opgeroepen. Artikel 65, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het verzoek tenminste drie dagen voor de behandeling dient te zijn binnengekomen.
2. De oproepingen geschieden door de griffier.
3. Getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen.
4. Voor getuigen is artikel 290, vierde lid, en voor deskundigen is artikel 51m, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 65, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
-
Het openbaar ministerie kan desgewenst bij de behandeling van het beroep zijn oordeel over de zaak kenbaar maken aan de militaire kamer.
-
1. De gestrafte kan zich bij de behandeling van zijn beroep doen bijstaan door een vertrouwensman.
2. De artikelen 57, 58, 59, eerste lid, en 60 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Als vertrouwensman kan ook een advocaat optreden.
4. De voorzitter kan de gestrafte een advocaat als vertrouwensman toevoegen. Een daartoe strekkend verzoek dient tenminste drie dagen voor de behandeling van het beroep bij het gerecht te zijn binnengekomen.
5. Het bepaalde in de vorige leden wordt de gestrafte bij de oproeping medegedeeld.
6. De overeenkomstig het vierde lid toegevoegde advocaat ontvangt een beloning en vergoeding van door hem gemaakte onkosten volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
7. De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op degene op wie de uitspraak betrekking heeft, indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere.
-
1. De behandeling van het beroep geschiedt ter openbare terechtzitting. De voorzitter heeft de leiding van de behandeling. Hij kan op verzoek van de gestrafte, de commandant of de beklagmeerdere, of om redenen aan de openbare orde ontleend gelasten dat de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt.
2. De artikelen 62, 67-69, 74 en 75 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor commandant gelezen wordt militaire kamer.
3. Ten aanzien van de bewijsmiddelen is artikel 80n van toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de militaire kamer tijdens het onderzoek.
4. Na sluiting van het onderzoek beraadt de militaire kamer zich of zij door de inhoud van de in het derde lid genoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert.
-
1. De militaire kamer kan een verhoor schriftelijk doen geschieden dan wel de ondervraging opdragen aan een van haar leden of aan een opsporingsambtenaar.
2. Het lid van de militaire kamer beëdigt, indien er naar zijn oordeel een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
3. De deskundige wordt door het lid van de militaire kamer beëdigd dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.
4. Van de reden van de beëdiging als bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
-
1. Het gerecht beslist uiterlijk 14 dagen na afloop van de behandeling van het beroep in een schriftelijke, met redenen omklede uitspraak.
2. De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte in persoon betekend.
3. Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan de commandant, de beklagmeerdere, en aan Onze Minister van Defensie.
-
1. Het gerecht verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen, verklaart het beroep niet ontvankelijk, of bevestigt de beslissing waartegen beroep is ingesteld, zonodig met verbetering of aanvulling daarvan, of doet de zaak af met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die beslissing.
2. Indien een beroep is ingesteld als bedoeld in artikel 81, vierde lid, verklaart het gerecht bij gemotiveerde beslissing dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond.
-
De beslissing waartegen beroep is ingesteld wordt vernietigd:
a. Indien enige in de Titels I of IA van dit hoofdstuk voorgeschreven termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad.
-
Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk tenuitvoergelegde straf van strafdienst of van uitgaansverbod wordt tenietgedaan of verminderd, of een beroep als bedoeld in artikel 81, vierde lid, geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, bepaalt het gerecht, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.
-
Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van het gerecht daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.
-
Tegen de beslissing in beroep staat geen verdere voorziening open, onverminderd de bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.
-
Indien het beroep is ingesteld bij een mobiele rechtbank, is het bepaalde in deze paragraaf omtrent de militaire kamer van overeenkomstige toepassing.