1. Is de commandant van oordeel dat een gedragsregel is geschonden, dan beraadt hij zich over de oplegging van straf.
2. Acht de commandant de beschuldigde strafbaar, dan legt hij een straf voorzien in deze rijkswet op.
3. Indien de commandant dit in verband met de geringe betekenis van de gedraging of gelet op de persoon van de beschuldigde of zijn persoonlijke omstandigheden raadzaam acht, legt hij geen straf op.
4. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid spreekt de commandant de beschuldigde vrij.