Op zichzelf leveren voldoende grondslag voor de overtuiging dat de in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden:
a. de eigen waarneming genoemd in het voorgaande artikel onder a;
b. de in een getuigenverklaring of in een geschrift opgenomen waarneming van een in de beschuldiging omschreven gedraging, door een militair of andere ambtenaar, die uit hoofde van zijn functie of rang met enig toezicht op de naleving van gedragsregels is belast.