1. Een rechthebbende gedoogt dat gasleidingen van een transmissie- of distributiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, met inbegrip van bijbehorende hulpmiddelen en installaties, die op grond van een overeenkomst of gedoogplichtbeschikking in, op, onder of boven een onroerende zaak aanwezig zijn, ook worden gebruikt voor het transport van waterstofgas door de door de Minister voor Klimaat en Energie aangewezen beheerder van het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.
2. De gedoogplicht, bedoeld in het eerste lid, laat de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan een overeenkomst of gedoogplichtbeschikking als bedoeld in dat lid voor het overige onverlet.