1. Hij die handelt in strijd met:
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
a. een in , het in , of een in , gegeven verbod; (zie: artikel 2, artikel 3b, eerste lid, artikel 4, derde lid)
b. een krachtens , of , gegeven voorschrift; (zie: artikel 3c, tweede lid, artikel 4, eerste of tweede lid)
c. een krachtens , aan een ontheffing verbonden voorschrift; (zie: artikel 8a, eerste lid)
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , of het in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 3b, eerste lid, artikel 4, derde lid)
3. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , gegeven verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder C)
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder B of D)
5. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder A)
6. Indien het feit, bedoeld in het tweede, derde onderscheidenlijk vijfde lid, betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie opgelegd.