1. De opsporingsambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. De commandant en de schipper kunnen ter aanhouding van de verdachte of ter inbeslagneming alle plaatsen betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. De in het eerste lid bedoelde opsporingsambtenaren zijn in afwijking van ( 1994, 572) bevoegd om zonder machtiging binnen te treden. (zie: artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden)