1. De officier van justitie kan ten aanzien van een aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan, een bevel geven als bedoeld in het . (zie: eerste of tweede lid van artikel 56)
2. De bevoegdheid, vermeld in , komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig. (zie: artikel 56, vierde lid)