1. Ieder die kennis draagt van een der misdrijven omschreven in de , in , voor zoover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de en , van menschenroof of van verkrachting als bedoeld in de , , en , is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar. Gelijke verplichting geldt ten aanzien van een ieder die kennis draagt van een terroristisch misdrijf. (zie: artikelen 92-110 van het Wetboek van Strafrecht, Titel VII van het Tweede Boek van dat Wetboek, artikelen 287 tot en met 294, 296 van dat wetboek, artikelen 243, 246, 248, 250)
2. De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor eene vervolging van zichzelven of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen.
3. Evenzoo is ieder die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op eene plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.