Wetboek van Strafvordering
← Terug naar overzicht

Onderzoek in een geautomatiseerd werk

Artikel 126zpa

1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar binnendringt in een geautomatiseerd werk dat in gebruik is bij een persoon en, al dan niet met een technisch hulpmiddel, onderzoek doet met het oog op: en, ingeval van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, dan wel een misdrijf dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen; a. de vaststelling van bepaalde kenmerken van het geautomatiseerde werk of de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en de vastlegging daarvan; b. een bevel als bedoeld in de en ; (zie: artikelen 126zf, 126zg) c. een bevel als bedoeld in , waarbij de officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel op een persoon wordt bevestigd; (zie: artikel 126zd, eerste lid, onder a) d. de vastlegging van gegevens die in het geautomatiseerde werk zijn opgeslagen, of die eerst na het tijdstip van afgifte van het bevel worden opgeslagen, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan de dag te brengen; e. de ontoegankelijkmaking van gegevens, bedoeld in . is niet van toepassing op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in de eerste volzin. (zie: artikel 126cc, vijfde lid, Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet) 2. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in , tevens: (zie: artikel 126za) a. zo mogelijk een nummer of een andere aanduiding waarmee het geautomatiseerde werk kan worden geïdentificeerd en, indien bekend, dat de gegevens niet in Nederland zijn opgeslagen; b. een aanduiding van de aard en functionaliteit van het technische hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid, dat wordt gebruikt voor de uitvoering van het bevel; c. het onderdeel of de onderdelen, genoemd in het eerste lid, met het oog waarop het bevel wordt gegeven en, als dit het onderdeel a, d of e betreft, een duidelijke omschrijving van de te verrichten handelingen; d. ten aanzien van welk deel van het geautomatiseerde werk en welke categorie van gegevens aan het bevel uitvoering wordt gegeven; e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven; f. in het geval het een bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft, een melding van het voornemen om een technisch hulpmiddel op een persoon te bevestigen. 3. , is van overeenkomstige toepassing. (zie: Artikel 126nba, derde tot en met negende lid)
QR Code