1. De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van , , of , degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. (zie: artikel 126nd, eerste lid, 126ne, eerste of derde lid, 126nf, eerste lid)
2. Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte. , is van overeenkomstige toepassing. (zie: Artikel 96a, derde lid)