1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.
2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt:
a. aan een van de misdrijven omschreven in deenen in de Titels I II van het Tweede Boek artikelen 192a tot en met 192c 197a tot en met 197cen; (zie: Titels I 206 II van het Tweede Boek 237 artikelen 192a tot en met 192c 272 197a tot en met 197c 273 206, 237, 272, 273)
b. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 177 178 179 180 189 200 207aen 285a voor zover het feit gericht is tegen de rechtspleging van het Internationaal Strafhof; (zie: artikelen 177 361 178, 179, 180, 189, 200, 207a, 285a, 361)
c. aan een van de misdrijven omschreven in deen; (zie: artikelen 240 tot en met 243 artikelen 240 tot en met 243 245 tot en met 253)
d. aan een van de misdrijven omschreven in de, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; (zie: artikelen 300 tot en met 303)
e. aan het misdrijf omschreven in. (zie: artikel 284)
3. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft.