1. Bij veroordeling wegens doodslag artikelen 293, eerste lid wegens moord of wegens een der in de 296 enomschreven misdrijven artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4° kan ontzetting van de in, vermelde rechten worden uitgesproken. (zie: artikelen 293, eerste lid, 296, artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°)
2. Indien de schuldige aan een der misdrijven in deomschreven, het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (zie: artikelen 287 tot en met 289)