1. Bij veroordeling wegens een van de in deomschreven misdrijven artikelen 240 tot en met 253 kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4° vermelde rechten worden uitgesproken. (zie: artikelen 240 tot en met 253, artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°)
2. Indien degene die zich schuldig maakt aan één van de misdrijven omschreven in dehet misdrijf in de uitoefening van een beroep begaat, kan diegene van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (zie: artikelen 240 tot en met 253)