1. Bij veroordeling wegens een der misdrijven omschreven in de artikelen 138b, vijfde lid enkan ontzetting van het in 140a vermelde recht worden uitgesproken. (zie: artikelen 138b artikel 28, eerste lid, onder 3° vijfde lid, 140a, artikel 28, eerste lid, onder 3°)
2. Bij veroordeling wegens het misdrijf omschreven inkan ontzetting van de in artikel 140 vermelde rechten worden uitgesproken en kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft gepleegd. (zie: artikel 140 artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4° artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°)